Harderwiekers en Hun Botters

Rond 1900, het hoogtepunt van de Zuiderzeevisserij, visten er zo’n 1400 botters op de Zuiderzee. De belangrijkste vissershavens Enkhuizen, Volendam, Marken, Huizen, Spakenburg, Harderwijk, Elburg en Lemmer telden elk tussen de 100 en 200 boten, maar bijelkaar waren er wel zo’n 60 thuishavens rond de binnenzee, waar eb en vloed elkaar nog tot 1932 afwisselden. Overigens visten de Urkers toen al op de Noordzee. Er werd gevist op haring (in het voorjaar), ansjovis (in mei), paling (in de zomer) en Zuiderzeebot (het hele jaar door). Verder ving men garnalen, spiering en mosselen. Het tegenwoordige IJsselmeer zat toen nog bommetje vol vis. Enkele botters visten door tot 1965. Toen was het definitief gedaan met wat ooit de Zuiderzeevisserij heette. Van de vroegere vloot zijn nog maar zo’n ruim 60 botters, en 50 andersoortige zeilende vissersschepen als aken, schokkers en kwakken over. Typerend aan de originele eikenhouten botters is dat zowel fok als kluiver maar één schoot hebben. Bij het overstag gaan moet die dus voor de mast langs worden geleid. ‘Hoe minder touwwerk, hoe beter (en goedkoper !)’ Bijna alle botters hadden een bun, een deel van het ruim onderin het schip dat in verbinding stond met de zee en waarin de vis zo lang mogelijk levend werd gehouden. Wie zich even wil onderdompelen in deze sfeer van weleer kan terecht bij de Harderwijker Botterstichting. Ook het paginaatje ‘Visserijdagen’ met het leven van Eibert den Herder, grondlegger van het Harderwijker toerisme is dan een klikje waard.

Flessenpost

Je wekelijkse watersport update

X